
Zoals verwacht, stelde gisteren een meerderheid van de amper zestien leden die het debat van het Congres van de Lokale en Regionale Besturen van de Raad van Europa bijwoonden, Vlaanderen in het ongelijk. Het congres volgde daarmee het rapport dat eerder dit jaar door een delegatie van de Raad van Europa – onder leiding van een dorpsnotabele uit Frankrijk – was opgemaakt. Na een ‘onderzoek’ van welgeteld 48 uur, waarbij enkel de drie Franstalige kandidaat-burgemeesters werden gehoord, oordeelden de twee rapporteurs toen dat door de niet-benoeming van de drie “de democratische rechten van de burgers zijn aangetast.” In het ‘definitieve rapport’ werd de kritiek op Vlaanderen in grote lijnen herhaald, en gisteren dus nog eens bevestigd.
Het feit dat de drie burgemeesters herhaaldelijk en manifest de wet hebben overtreden en bovendien bij elke gelegenheid herhalen zich ook in de toekomst niet aan de regels te zullen houden, wordt hierbij straal genegeerd. Dat ook burgemeesters zich te houden hebben aan de wet – in dit geval de taalwet – kan zeker de Franse rapporteur, die ook gisteren fel van leer trok tegen Vlaanderen, nochtans niet onbekend zijn. Het volstaat ter zake te wijzen naar zijn thuisland, waar het in de Elzas sinds 1918 verboden is ook maar één woord Duits te spreken tijdens de gemeenteraden, ook al wordt de betrokken gemeente sinds mensenheugenis grotendeels bevolkt door – autochtone – Duitstaligen. Als het over Vlaanderen gaat, wordt echter niets minder geëist dan dat de taalwetgeving zou worden aangepast – in het voordeel van de Franstaligen welteverstaan. Uit welke Europese of internationale norm zou blijken dat immigranten in Vlaanderen het recht hebben om zich in hun contact met de overheid van de eigen taal te bedienen, zegt de Raad van Europa er natuurlijk niet bij.
Het feit dat een ‘veroordeling’ van het Congres van de Lokale en Regionale Besturen van de Raad van Europa (gelukkig!) geen bindende waarde heeft, belet natuurlijk niet dat de Franstaligen erin geslaagd zijn het imago van Vlaanderen te schaden. Andermaal hebben zij via het beproefde lobbywerk een internationaal forum voor hun kar weten te spannen. Hierbij dient opgemerkt dat het hen ook niet echt niet moeilijk wordt gemaakt. Er gebeurt vanuit Vlaanderen immers bitter weinig om het eenzijdige beeld dat door de Franstaligen wordt opgehangen, bij te stellen. Wat de voorbije maanden in en rond de Raad van Europa gebeurde, leest dan ook niet alleen als een kroniek van een geslaagde Franstalige agitatie, maar is tegelijk een zoveelste illustratie van de falende internationale politiek van de Vlaamse regering.
In een
reactie liet het Vlaams Belang alvast weten dat de Vlaamse regering zich niet mag laten leiden door “conclusies die te ridicuul zijn voor woorden.” Het enige signaal dat de Vlaamse regering kan geven, is dat “de drie kandidaat-burgemeesters nooit zullen benoemd worden.” Van een wijziging van de taalwetgeving in de richting die de Franstaligen willen, kan geen sprake zijn: “De enige wijziging van de taalwetgeving kan er maar een zijn die de faciliteiten afschaft.”