Vandaag bespreekt de regering het ontwerp van minister Onkelinx inzake de aanpassing van de strafuitvoering. Dit ontwerp garandeert helemaal niet dat plegers van geweldmisdrijven langer zullen vastzitten. Het wil enkel de illusie creëren van een strengere aanpak, maar de beleidsnota van Onkelinx maakt duidelijk dat de misdadigers in de toekomst nog sneller dan vandaag zullen vrijgelaten worden.
Ter herinnering. Naar aanleiding van de doodslag op Guido De Moor op een lijnbus in Antwerpen verkondigde Verhofstadt eind juni dat plegers van geweldmisdrijven langer in de cel zouden moeten blijven. Tijdens het kamerdebat van 6 juli stelde Verhofstadt nog dat de wet-Lejeune voor zware geweldplegers moest gebracht worden van één derde op twee derde. “Wij zullen naar het Parlement komen in oktober met een antwoord op die vraag”.
Maar Verhofstadt kwam in oktober helemaal niet met een antwoord. De wet-Lejeune (zoals dit voorjaar aangepast) blijft onveranderd, wat betekent dat het vrijlatingssysteem vanaf 1 januari nog lakser wordt dan ooit voordien. Zo zal het gedrag tijdens de opsluiting en de persoonlijkheid van de gedetineerde niet meer meespelen om een vrijlating tegen te houden. Ook kan het personeelscollege van de gevangenis de vrijlating niet langer vertragen.
Het enige wat gewijzigd wordt, is het systeem van terbeschikkingstelling (TBS). Maar dat is in werkelijkheid een lege doos:
1. De strafrechter garandeert geen terbeschikkingstelling. Hij kan enkel de mogelijkheid tot terbeschikkingstelling voorzien. Volgens de beleidsnota van Onkelinx wordt de ‘verplichte mogelijkheid’ beperkt tot “de meest afschuwelijke misdrijven”, met name verkrachting, ontvoering, foltering en terrorisme, maar enkel in zoverre er dodelijke slachtoffers zijn. Dit gaat dus over zeer uitzonderlijke gevallen, genre Dutroux en Fourniret.
2. Tot de daadwerkelijke terbeschikkingstelling zal niet meer worden beslist door de regering, maar enkel nog door de strafuitvoeringsrechtbank (SUR). De regering kan dus niet meer ter verantwoording worden geroepen inzake de vrijlating van bepaalde gevaarlijke misdadigers en kan telkens weer de handen in onschuld wassen.
3. De terbeschikkingstelling is enkel mogelijk wanneer de misdadigers eerst hun volledige straf hebben uitgezeten. Slechts een zeer klein aantal gevangenen bevindt zich in die situatie. En zelfs al wordt de TBS uitgesproken, betekent dit niet noodzakelijk dat de betrokkenen daarom in de gevangenis moeten verblijven.
Het is dus allerminst zo dat de strafrechter een grotere greep krijgt op de strafuitvoering. Een verstrenging van het vrijlatingsbeleid is hoegenaamd niet aan de orde. Wie anders beweert, pleegt boerenbedrog. Verhofstadt heeft nogmaals in het stof moeten bijten voor de passionaria van de PS.
Bovendien kondigt de minister in het hoofdstuk “De opsluiting maximaal beperken” van haar beleidsnota zelf aan dat er in de toekomst nóg sneller zal worden vrijgelaten. Zo zal het aantal “gedetineerden” onder elektronisch toezicht drastisch worden uitgebreid (een verdubbeling van 500 naar 1000 personen). Onkelinx heeft ook beslist om de controle over deze enkelbandgedetineerden sterk te beperken én om de onderzoeken naar de toelaatbaarheid in het gros van de gevallen af te schaffen. De justitieminister ging hiermee diametraal in tegen de aanbevelingen van een wetenschappelijk rapport van UCL en VUB dat zij zelf had besteld.
Het is duidelijk dat PS-minister Onkelinx, hierin gesteund door zowel Sp.a-Spirit als VLD, meer dan ooit de veiligheid van de samenleving in het gedrang brengt.
Dinsdag confronteerden we Onkelinx tijdens het debat over de beleidsnota met de woorden van eremagistraat en Professor Vandeplas in de juristenkrant van 22 november: “Het drama van Justitie op dit ogenblik is dat de rechter straffen uitspreekt, waarvan hij weet dat ze niet zullen worden uitgevoerd.(…) Voor 90% is alles wat het gerecht doet in strafzaken zinloos.” De enige reactie van de minister op deze vernietigende uitspraak was een meewarige glimlach.
Bart Laeremans
Volksvertegenwoordiger