Op 1 mei constateerde Knack-directeur Rik Van Cauwelaert dat “de Vlaming de Vlaamse Beweging achter zich heeft gelaten”. Aanleiding was het feit dat het IJzerbedevaartcomité heeft beslist om de IJzerbedevaart voortaan op 11 november te laten plaatsvinden, dus in te kaderen in de Belgische kalender, en los te maken van de Vlaams-nationalistische missie. Die ontkoppeling was al een tijdje aan de gang, waardoor de IJzerwake de fakkel overnam, met stijgend succes.
Veel rimpels heeft de beslissing van het comité niet veroorzaakt. Maar heeft de Vlaming daarom de Vlaamse Beweging achter zich gelaten? En hoe moet men omgaan met symbolische plaatsen, rituelen en tradities die opeens een nieuwe connotatie toegedicht krijgen, op initiatief van een handvol academici, waaronder, o ironie, Bruno De Wever?
Een korte opfrissing van het geheugen is in dit verhaal wel nuttig.
Sinds 1920 gaat het om een herdenking van Vlaamse doden uit de 1ste wereldoorlog aan het IJzerfront. Niet dat de doden van andere nationaliteiten minder belangrijk waren. Maar het fenomeen kan niet losgezien worden van het zgn. activisme en de frontbeweging die de taalmistoestanden in het Belgische leger aankloeg. De fameuze “verbroken belofte” van Koning Albert I, die de Vlamingen in 1914 de loopgraven in had gejaagd met de kreet “Gedenkt de Slag der Gulden Sporen!”, was in dat opzicht een sleutelgegeven. Van hervormingen kwam niets in huis, integendeel, de Vlamingen (scheldnaam: “boches”) werden gezien als Germaans-sprekende quasi-collaborateurs in een tijd dat er van collaboratie geen sprake was.
Van meetaf aan was er dus een link tussen de pacifistische dodenherdenking (onder het motto: “Nooit meer oorlog, Zelfbestuur en Godsvrede”) en de flamingante strijdretoriek. Voor buitenstaanders een verbazingwekkende collusie, voor de beweging de evidentie zelve. Ze is bezinnend en rebels tegelijk. Daarbij groeide het protest tegen voortdurende grafschennis, gepleegd op in de Westhoek begraven Vlaamse voormannen. Daders onbekend…
Naarmate de frustratie groeide, werd de uitgesproken anti-Belgische toonaard ook sterker, een typische wending trouwens voor de Vlaamse Beweging tijdens het Interbellum.
Pas in 1930 werd de IJzertoren in Kaaskerke, gefinancieerd door kleine bijdragen van talloze Vlamingen, hét monument waarrond de jaarlijkse ceremonie zich afspeelde: een herdenkingsmoment, maar ook een Vlaams-nationalistisch volkstreffen, inclusief de fanfares en de strijdredes. Opvallend is anderzijds dat er tijdens de bezetting, tussen 1940 en 1945, geen massale bedevaarten werden georganiseerd.
Een nieuw sleutelmoment in de historiek was de dynamittering van de IJzertoren in 1946: ook die terreurdaad (of wat was het anders?) wordt vandaag algemeen toegeschreven aan francofiele Belgische nationalisten.
Uiteindelijk kwam de nieuwe IJzertoren er in 1965, weerom dankzij giften van duizenden kleine Vlamingen. En jawel, in de jaren ’80 werd er enige neo-nazi-folklore opgemerkt, overigens onuitgenodigd en hoofdzakelijk van buitenlandse komaf. Maar dat heel deze omgeving onverbrekelijk verbonden is met het Vlaams-nationalisme en uiteindelijk het streven naar zelfbestuur, kan niemand loochenen.
Het comité neemt dus een loopje met de historische waarheid, als het beweert dat het nu eindelijk is teruggekeerd naar “de oorsprong van de bijeenkomst in Diksmuide”. Het tegendeel is waar: we constateren hier eerder een negationistische preutsheid, een ontkenning van de historische realiteit, en een poging om de ceremonie politiek te “ontluizen”. Het is eigenlijk een nieuwe bom onder de toren, dit keer niet van dynamiet, maar gekenmerkt door een vreemdsoortig revisionisme, in dienst van de Belgische constructie en achterliggend ook de officiële, anti-volkse Europa-doctrine die elke vorm van nationalisme gelijk stelt met fascisme.
Pogingen om er een multicultureel festival van te maken hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat de Vlaamse Beweging de weg naar de IJzervlakte niet meer vindt. Dat is pijnlijk, want dit is, en ik zeg het zonder pathos, een heilige plek die aan de beweging toebehoort en niet aan een of ander schimmig comité. Men speelt niet met symbolen, of men schendt geen monument ongestraft.
Het feit dat de huidige IJzerwake ergens achter een bouwvallige boerderij, op een veld in Steenstrate, een soort tegen-bedevaart organiseert, is tekenend voor de gespletenheid en het gebrek aan alertheid binnen diezelfde beweging. Want de kaping van het originele evenement door een groep rond het marginale en ondertussen allang ter ziele gegane Spirit van Bert Anciaux, had nooit mogen gebeuren. Geen enkele partij mag het IJzerthema, met heel zijn achtergrond, monopoliseren. Ook het Vlaams Belang zal dat nooit doen.
Maar wij beschouwen het wel als onze plicht om de historische waarheid te respecteren en de authentieke traditie te laten voorgaan op modegrillen en hypes.
De Vlaamse Beweging is niet dood. Ze staat nu op de beslissende tweesprong tussen Belgisch confederalisme en stichting van de Vlaamse republiek. Mijn partij gaat voluit voor de tweede optie. Maar de IJzervlakte én de toren moeten teruggewonnen worden als symbolische plek en landschap, gewijd aan de eenheid van de beweging, de bezinning over onze wortels, en de zoektocht naar collectief zelfbewustzijn.
In de toren van Kaaskerke staan duizenden namen gegrift van de grote en kleine schenkers. Zij zijn de “aandeelhouders” van dit monument en wat het uitdraagt. Niemand anders.
. Een column door Bruno Valkeniers, voorzitter@vlaamsbelang.org Bezoek ook www.brunovalkeniers.be.