De Lijn spendeert 44 miljoen aan opleidingen, maar ziet massaal kandidaten afhaken
Uit het antwoord van Vlaams minister van Mobiliteit Annick De Ridder (N-VA) op een vraag van Vlaams Parlementslid Sarah T’Joens (Vlaams Belang) blijkt dat De Lijn tussen 2020 en 2025 meer dan 44 miljoen euro uitgaf aan de inzet van interne en externe rijschoolopleidingen. Alleen al in 2025 bedroeg de kost 8,693 miljoen euro. Tegelijk kunnen chauffeurs die binnen het eerste jaar vertrekken, volstaan met een terugbetaling van maximaal 1.250 euro. “Dat staat in geen enkele verhouding tot wat de belastingbetaler investeert”, stelt T’Joens. “De Lijn financiert een dure opleiding, maar laat mensen vervolgens voor een prikje vertrekken.”
Voor de periode 2022–2025 gaf De Lijn 32,416 miljoen euro uit aan rijschoolmedewerkers. In diezelfde periode startten 3.099 kandidaten een opleiding tot bus- of tramchauffeur. Dat betekent een gemiddelde kost van ruim 10.000 euro per kandidaat, exclusief andere personeels- en omkaderingskosten. “Wie na enkele maanden vertrekt en 1.250 euro terugbetaalt, dekt dus amper een fractie van de werkelijke kost”, zegt T’Joens. “Dit systeem nodigt uit om op kosten van de Vlaamse belastingbetaler een rijbewijs D te behalen en vervolgens elders aan de slag te gaan.”
“Een betere screening en begeleiding vooraf dringen zich op”
Daarnaast tonen de cijfers aan dat ook de efficiëntie van het opleidingstraject onder druk staat. Tussen 2022 en 2025 slaagden 438 kandidaat-buschauffeurs niet voor het vereiste rijbewijs D. Dat komt neer op ongeveer 18 procent van de 2.501 gestarte busopleidingen in die periode. Bij de tramopleidingen slaagden 57 van de 598 kandidaten niet, goed voor bijna 10 procent. “Dat zijn aanzienlijke percentages”, aldus het Vlaams Parlementslid. “Een betere screening en begeleiding vooraf dringen zich op.”
Dat het probleem niet louter bij de opleiding ligt, blijkt uit de uitstroomcijfers. Tussen 2020 en 2024 verlieten 173 medewerkers De Lijn binnen het eerste jaar, van wie 126 zelfs binnen de eerste zes maanden. “Bijna driekwart van de vroege uitstroom gebeurt in het eerste halfjaar”, besluit T’Joens. “Het is niet alleen een kwestie van slagen of niet slagen, maar van retentie. Zolang De Lijn haar personeelsbeleid niet grondig hervormt en de terugbetalingsregeling niet in verhouding brengt tot de reële kost, blijft dit een structurele verspilling van publieke middelen.”